Column: De dans van de leraar (4/5)

Kennis overdragen, de blik van jongeren op de wereld verruimen, ouders betrekken bij de ontwikkeling van hun kinderen en vooral: ervoor zorgen dat leerlingen een leuke en boeiende schooltijd hebben. Dát is werken als docent in het voortgezet onderwijs. En het mooie is: er is volop werk! Althans, zo omschrijft uitzendorganisatie Randstad de functie van docent. Of leraar. Of leerkracht, meester, juf, onderwijzer. Gek eigenlijk, zoveel verschillende benamingen voor dezelfde rol.


In 2024 is het beroepsbeeld van de leraar opnieuw geformuleerd. De gezamenlijke lerarenorganisaties (AOb, CNV Onderwijs, FvOv, BVMBO en PVVVO) gaven Kennisland de opdracht om een helder beeld te schetsen van ons vak. Niet hoe anderen ons zien, maar hoe wij onszelf zien. Dit beroepsbeeld is niet alleen een mooie richtlijn voor mogelijke zij-instromers, maar ook een spiegel voor onszelf.  Uit het beroepsbeeld kwamen elf kernpunten naar voren. Eén daarvan sprong er voor mij direct uit: nummer 7. “De leraar is een professional in een team. .. Naast zelfstandig werken met groepen leerlingen, is samenwerken met collega’s een belangrijk aspect van het beroep.” Dat klinkt logisch, toch? We werken met collega’s, de schoolleiding en het bestuur aan het verbeteren van lessen, de onderwijskwaliteit en de visie van de school. 

Maar hier wringt de schoen een beetje. Want hoewel samenwerking cruciaal is, kiezen de meeste leraren niet voor het vak omdat ze zo graag in teamverband werken. Nee, de leraar kiest dit vak omdat hij of zij een intrinsieke drive voelt om leerlingen iets bij te brengen. In de klas zijn we de heersers van ons eigen rijk. Daar weten we precies wat goed is voor onze leerlingen. En dat maakt samenwerking soms een uitdaging.


Als leraar hechten we veel waarde aan onze autonomie. We willen zelf kunnen bepalen hoe we onze lessen inrichten, welke werkvormen we gebruiken en hoe we inspelen op de behoeften van onze leerlingen. En laten we eerlijk zijn, niet iedere samenwerkingservaring in het onderwijs is even positief. Soms voelt samenwerking als iets dat ons wordt opgelegd of als een middel om er een andere manier van werken door te duwen. En dat kan weerstand oproepen.
Maar hier komt het mooie: autonomie en samenwerking hoeven elkaar helemaal niet uit te sluiten. Sterker nog, ze kunnen elkaar juist versterken. Goede samenwerking betekent niet dat we onze individuele vrijheid opgeven, maar dat we gebruikmaken van elkaars kwaliteiten om samen iets beters te creëren. Niet omdat het moet, maar omdat het loont. Want uiteindelijk zijn we niet alleen individuen die lesgeven, we zijn ook deel van een school en een scholengemeenschap. Een gemeenschap waarin we met elkaar verantwoordelijk zijn voor het onderwijs en de leerlingen die we begeleiden.


Dus ja, ik zal altijd een pleitbezorger blijven van autonomie. Maar ik zie ook zeker de waarde van samenwerking. Misschien is het tijd dat we ophouden met het zien van deze twee als tegenpolen en ze gaan beschouwen als partners in de dans die onderwijs heet. Want een danspartner die je ruimte geeft, maar er ook is om je op te vangen als je dreigt te struikelen, lijkt mij een ideale combinatie. En laten we eerlijk zijn: dansen alleen is leuk, maar samen is het vaak nog nét iets leuker. Dus collega’s, laten we individueel en samen blijven werken aan het verfraaien van onze passen en elkaar blijven uitnodigen met elkaar te dansen. Net als op onze personeelsbijeenkomsten!


Leestip: Beroepsbeeld Leraar – jouw beroep, jouw beeld

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven